Meditatie


Pasen 2020

Lezen: Lucas 24: 1-12
Pasen
'Hij is hier niet, maar hij is opgewekt. Wat zoekt ge de levende bij de doden?'



Geliefde gemeente,
Al vóór de zon opging is Jezus opgestaan uit het graf. De vrouwen waren in alle vroegte naar de grafkelder gegaan, maar zo lezen we, ze vinden daar 'de steen afgewenteld', zoals Lucas ons bericht. Het betekent dat geen mensenoog de opstanding heeft waargenomen. We moeten het doen met een leeg graf én met de verkondiging:
'Hij is hier niet, maar hij is opgewekt.’ Zoals gezang 221 het zegt en zoals wij het ook mogen zingen:
Wees gegroet, gij eersteling der dagen,
morgen der verrijzenis,
bij Wiens licht de macht der hel verslagen
en de dood vernietigd is!

Bij Pasen hoort de zon en het licht. Het mag ons opvallen dat alle vier evangelisten uitdrukkelijk spreken over 'de éérste dag der week'. De paasdag is de eerste dag. 'De dag die de Heere gemaakt heeft' zegt Psalm 118.
Pasen is de eerste dag, het begin en het beginsel van al onze dagen. Maar is dat ook zo voor u, voor jou, en voor mij? Leven we ook zo? Gemeente, mogen we weten, heel persoonlijk, mag ik ook weten, dat ook mijn leven voor tijd en eeuwigheid in dát Paaslam is geborgen? Hij gaf Zijn leven óók voor mij?! Psalm 90 zegt het zo: 'De dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren en, indien wij sterk zijn, tachtig jaren; en dan komt het….. wat daarin onze trots was, het is niet meer dan moeite en leed, want het gaat snel voorbij, en wij vliegen heen.' Gemeente, dat is wel van nature ons leven.
Maar is er dan niet één dag, die al de dagen onzer jaren de moeite waard maakt? Eén grote en onvergetelijke dag, die al onze dagen doorlicht?
Zeker! Elke zondag mogen we dat horen! En het wordt ons ook vandaag verkondigd, en het wordt ons op het hart gebonden en van Gods wegen verkondigd - die dag ís er. Het is de Paasdag. De dag van de opstanding!
Pasen is hecht verbonden met een Naam, maar dan wel een naam met een hoofdletter. de naam JEZUS.
Het noemen van Maria’s naam door de opgestane Heere is dus heel belangrijk in deze geschiedenis. Dat was voor Maria het moment van de blijde herkenning, het moment waarop de mist van alle wanhoop en verdriet doorbroken werd.
Als iemand je naam noemt, dan doet dat wat met je. Dat kom je trouwens wel vaker in de Bijbel tegen. En dat herkennen wij, ook in het leven van alledag, ja toch?
Dat is voor de kinderen ook heel herkenbaar denk ik: als je iets doet wat niet mag en je vader ziet het, dan zal je daar waarschijnlijk veel sneller mee ophouden als hij je naam noemt dan wanneer je vader zegt: ‘Hé, stop daar eens mee!’ Als iemand je naam noemt, maakt dat veel meer indruk. En soms is dat ook gewoon nodig, omdat de boodschap anders niet tot je doordringt.
Dat geldt natuurlijk net zo goed ook voor een positieve boodschap. Als je bijvoorbeeld heel erg twijfelt aan jezelf en iemand anders probeert je ervan te overtuigen dat dat echt niet nodig is. Dan zal de boodschap van die ander je sneller raken als hij tegen je zegt: Daan of Marieke (of hoe je dan ook mag heten), je hebt het gewoon geweldig gedaan. Als iemand heel bewust je naam uitspreekt, doet dat wat met je. Dat geeft herkenning!
Nou, dat doet de Heere Jezus nu dus ook om Maria te kunnen bereiken. Je zou daarom ook kunnen zeggen: dat hoort nu echt bij het Paasevangelie! De opgestane Heiland zoekt Zijn kinderen heel persoonlijk op. Hij noemt hen bij hun naam. Zo opent Hij als het ware onze ogen voor wie Hij is. Zo ook bij Maria. Hij had haar aangesproken, bij haar eigen naam. Hij had haar weer geleerd dat zij Maria was. Als Maria nu haar naam hoort noemen, midden in haar diepe verwarring en verdriet, en die was groot!, dringt het tot haar door:
er is er maar Eén die weet wie ik echt ben.
Het is de Heere! Het is de Heere, die hier bij mij staat!
Hij ís niet dood! Maar Hij leeft!
En ook Maria antwoordt dan maar met één woord van herkenning: Rabbouni! Meester!
Mijn eigen geliefde Meester!
Bent U het echt? Ja, U bent het echt!
Zouden we die lijn dan vandaag ook niet mogen doortrekken naar ons? Want doet de Heere dat niet nog steeds gemeente, tot op de dag vandaag? Toen je gedoopt bent? Heel persoonlijk sprak Hij tegen u en jou: ‘Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij’!
De doop laat zien dat je je heel persoonlijk verbonden mag weten met de Vorst van Pasen. Hij, Die door de dood is heengegaan, Hij roept ook u, Hij roept ook jou tot het leven in Zijn heerlijkheid.
‘Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij’.
Zo roept de goede Herder zijn schapen, elke keer weer opnieuw. Gemeente, hoort u Zijn stem, en jij, hoor je Zijn stem? Is het al tot je doorgedrongen dat Hij ook jouw naam kent en ook jouw naam noemt? Als Hij zegt: Ja, ook voor jouw gaf ik Mijn leven.
Het werk van de Heere Jezus is nog niet af! Aan het kruis heeft Hij alles betaald. Daar hoeft van Gods kant niets meer bij. Maar nu, nu moet de toegang tot het eeuwige leven ook heel persoonlijk op naam gesteld worden. Dat, ja ook dat kan alleen de Heiland voor ons doen. Niemand komt tot de Vader dan door Mij. Zijn we er dan gemeente? Nee, de Heere vraagt van ons een antwoord.
Het gaat erom dat je deel gaat krijgen aan Zíjn leven, het eeuwige leven dat Hij verworven heeft door Zijn leven te geven ook voor jou. Hoe dat moet? Heel eenvoudig gemeente, eenvoudig je handen vouwen, je knieën buigen en zeggen: Heere, hier zijn mijn lege handen, mijn lege hart, wilt U het alstublieft vullen met Uw genade, met Uw liefde, opdat ik waarlijk vruchtbaar mag zijn. Dat ik vrucht mag dragen, dat ik mag leven tot Uw eer! Meer niet gemeente, meer is niet nodig, maar met minder kan het ook niet. Ik heb dat niet verdiend, want

Van al de last dier plagen,
met goddelijk geduld,
o Heer, door U gedragen,
heb ik, heb ik de schuld!
Och, zie, hoe 'k voor uw ogen
hier als een zondaar sta,
en schenk vol mededogen,
m' een blik van uw gena!

Dat was wat Maria nu opnieuw moest leren. En niet alleen Maria. Ook wij allemaal!
Mag u het weten dat uw leven in Hem is geborgen? En dat de Heere ook voor u, voor jou Zijn huis klaarmaakt?
Onze toekomst lígt niet in het hier en nu. Onze toekomst ligt met Christus verborgen bij God. De Vorst van Pasen, de Opgestane Heere: Hij is de Eersteling, Die ons is voorgegaan, door de dood naar hét Leven. Vanaf de overkant, vanuit het eeuwige leven, roept Hij ook ons nu heel persoonlijk bij onze naam. Want Hij leeft! En Hij vergeet Zijn kinderen niet. Nooit. Zoek het dan niet in de dingen van deze wereld. Maar zoek het toch eerst en vooral bij Hem. Hier beneden loopt alles uiteindelijk dood. Hoe goed je het dan misschien ook kunt hebben. Uiteindelijk moet je alles loslaten. Maar als je Zijn stem hebt gehoord, als je leven gebouwd is op Hem, dan heb je toekomst.
Gemeente, broeders en zusters: we hebben een Bruidegom die in het eeuwige leven op u, op jou wacht!
Het is Pasen: de Heere is waarlijk opgestaan. Hij heeft de zonde en de dood overwonnen. Hij is ons voorgegaan naar Zijn eeuwige toekomst . Laat daarom ook nu al die toekomst je leven bepalen. Niet ik, maar Hij weet wat goed is voor mij. Durf je dat dan ook echt te geloven? Durf je je daaraan over te geven? Daar komt het voor ons op aan! Bid daarom gemeente. Want, zegt de Heere in Zijn Woord:” wie in Mij gelooft – die hééft het leven. Voor nu. En voor altijd.
Welk een dag der ruste zal dát wezen
Als w’onsterf’lijk uit de dood verrezen
Knielen voor Uw dankaltaar
Amen, Jezus, maak het waar!

Amen

Goede vrijdag 2020

Lezen: Mattheüs 27:45-50

Goede Vrijdag




"En van het zesde uur af kwam er duisternis over het gehele land tot het negende uur. Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem, zeggende: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat is: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? En sommige van de omstanders, dit horende, zeiden: Hij roept Elia. En terstond liep een van hen toe en nam een spons, drenkte die met zure wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken. Maar de anderen zeiden: Stil, laat ons zien, of Elia komt om Hem te redden. Jezus riep wederom met luider stem en gaf de geest."

'En vanaf het zesde uur kwam er duisternis over het hele land tot het negende uur.'
Geliefde Gemeente,
Het staat er zo nuchter. Een korte mededeling. Als van een journalist. Van 's middags twaalf tot 's middags drie was het donker in Judea. Maar stelt u zich dat nu toch eens voor. Het is vrijdag. Je hebt die morgen gedaan wat je moest doen. De pauze nadert, en dan opeens is het donker. Pikkedonker. Je ziet geen hand meer voor de ogen. 'Wat gebeurt er?', denk je dan. 'Hoe kan dat nu? Zomaar opeens, midden op een klaarlichte dag in het voorjaar zo donker?'
Mattheüs geeft geen antwoord, geeft geen verklaring. We zullen zelf een antwoord moeten proberen te ontdekken. En dat moeten we doen door te letten op het kruis. Het heeft geen enkele zin om een natuurkundige verklaring te zoeken: een zonsverduistering of zo, of dikke wolken stof die het daglicht doven. We moeten letten op het kruis.
Daar hangt Jezus. Hij heeft gedragen lasteringen spot en hoon, Hij was verraden door een discipel, veroordeeld door de voorgangers van het volk, gegeseld met een stuk touw, gegeseld met woorden, vooral met woorden. Zijn lichaam bloedt, zijn hart bloedt. Nu moet het toch wel genoeg zijn.
Nee, het is nog niet genoeg. Jezus is van mensen verlaten. Wie Hem liefhadden zijn weggelopen. Wie Hem haatten zijn gebleven. Om te spotten. Om te genieten van het leed van Jezus. Om zeker te weten dat ze nu echt van Hem af zijn. Zo worden de Schriften vervuld.
Jezus is van mensen verlaten. En nu laat ook God merken dat Hij er niet is om te helpen nu zijn Zoon zo smadelijk aan het vervloekte hout hangt. Het wordt donker. Jezus is door mensen veroordeeld. Nu wordt Hij door God veroordeeld. Want duisternis, dat betekent oordeel. Zo komen we de duisternis heel vaak tegen in de Schriften. Bijvoorbeeld in Amos 8 vers 9:
Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord van de Heere Heere, dat Ik op de middag de zon zal doen schuilgaan en bij klaarlichte dag het land in het donker zal zetten.
Dat is oordeelstaal, van een God die toornt. De duisternis is God die spreekt in toorn, in diepe boosheid vanwege Zijn gekwetste liefde. En op de Goede Vrijdag, daalt die duisternis neer op het hoofd van Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon, onze Heere. In de duisternis spreekt God zijn Zoon aan: 'voor U geen licht, mijn Zoon.' In de drie donkere uren draagt Jezus het eeuwige oordeel van God over onze zonden.
Hoe is het mogelijk? Hij Die Zelf gezegd heeft: 'Ik ben het Licht der wereld', hangt in een drie uur durende diepe duisternis. Dat doet God zijn Zoon aan om in onze levens het licht weer te laten doorbreken.
Hét licht. Het is Gods allereerste scheppingsgave. 'En God sprak: er zij licht; en er was licht. En God zag dat het licht was.' Het is het licht van de zon. En weet u wat nu zo verwonderlijk is? Dat licht bleef schijnen toen Adam en Eva in zonde vielen. Wat was er logischer geweest dan dat bij die zonde de wereld donker was geworden zoals op de Goede Vrijdag? Maar nee, God die eindeloos barmhartig is, laat de zon dan schijnen. Het licht gaat niet uit. Jaar in jaar uit, eeuw in eeuw uit heeft God die zon laten opgaan over bózen en goeden. Ja, ook over bozen. Ook over de vijanden van God. Ook over hen die met hun rug naar God toe leefden.
Maar vandaag, op deze dag der dagen, gaat het licht uit over Jezus Christus, God uit God, Licht uit Licht en het wordt donker voor Hem die de Zon der gerechtigheid wordt genoemd. Terwijl God alle dagen de zon laat schijnen ook voor bozen, schijnt de zon deze drie donkere uren niet voor de Zoon van God Die alle boosheid, alle zonden, en alle zonde van de wereld draagt.
Jezus draagt deze ondraaglijke duisternis, de duisternis van de Godverlatenheid, helse duisternis. Want Christus is neergedaald in de hel.
'En van het zesde uur af kwam er duisternis over het hele land tot het negende uur.' Zo schrijft Mattheüs het op. Maar je mag ook lezen: Christus daalt neer in de hel. En wat Hij lijdt is onbeschrijfelijk, onuitsprekelijk en niemand ziet het, niemand kán het zien, want het is donker. Diep donker. Het is het donker van de hel, waar Jezus om onze zonden de dood ondergaat. Een dood die gedragen moest worden. ”Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood zou moeten sterven”.
Wat belijdt u met de woorden: neergedaald in de hel? De catechismus zegt daar in zondag 16 vraag en antwoord 44 over: Daardoor mag ik er in mijn felste aanvechtingen zeker van zijn en er rijke troost uit putten, dat mijn Heere Jezus Christus mij van de angst en de pijn van de hel heeft verlost. Hij heeft deze verlossing bewerkt door Zijn onuitsprekelijke angsten, smarten, verschrikking en helse kwelling, waarin Hij gedurende heel Zijn lijden, maar vooral aan het kruis, gezonken was.
Misschien dat we de diepte van die woorden op een dag als deze, Goede Vrijdag, een beetje proberen te peilen. Een beetje maar, want niemand weet echt wat Jezus geleden heeft. Gelukkig maar. En het hoeft ook niet. Wij hoeven dit lijden niet te lijden, hoe zouden we het kunnen? Het was lijden om mijn zonden. Een evangelie waarin heel diepe tonen klinken, de bas van Gods oordeel over onze zonden die gedragen wordt door Jezus Christus, Gods Zoon, onze Heere. Ja, onze Heere, want zo wil Hij ons door genade tot zijn eigendom maken. Dat is het evangelie van de duisternis.
Drie uren lang hangt zwaar het zwijgen op de heuvel. De spot is verstomd, voor even. De aarde zwijgt en houdt haar adem in, om straks te beven. En ook de hemel zwijgt: de zon zwijgt, de maan en de sterren zwijgen, de engelen zwijgen, God zwijgt. Hij neemt het niet op voor Zijn Zoon. Jezus ontmoet op de heuvel Golgotha de verborgen God, God Die zich verbergt in het donker, zich hullend in een doods en donker zwijgen.
Drie uren lang, drie diep donkere uren lang, hangt zwaar het zwijgen op de heuvel. En dan scheurt een luide schreeuw dat zwijgen aan flarden: 'Eli, Eli, lama sabachtani?, klinkt er vanaf het middelste kruis. Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
Jezus haalt een Schriftwoord aan, zoals veel van Gods kinderen in hun diepste nood hun toevlucht zoeken in het Woord van God. Jezus haalt een Schriftwoord aan, een Psalmwoord, Psalm 22:
Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij,
En redt mij niet, terwijl ik zwoeg en strij',
En brullend klaag in d' angsten die ik lij',
Dus fel geslagen?
't Zij ik, mijn God, bij dag moog' bitter klagen,
Gij antwoordt niet; 't Zij ik des nachts moog' kermen.
Ik heb geen rust, ook vind ik geen ontfermen
In mijn verdriet.

Dat is het zwaarste voor de Zoon van God: er komt geen antwoord dat stilte en rust brengt. De hemel is gesloten voor Gods eniggeboren Zoon. Als mensen kunnen we, zoals David, dat gevoel ook wel eens hebben, dat de hemel gesloten blijft, dat God weg is, dat Hij ons heeft verlaten. Maar dat ís niet zo! Het is een ervaring van het menselijk hart die niet klopt met de openbaring uit Gods hart. Geestelijke verlating heet dat wel. Het is een heel diepe en pijnlijke en onuitsprekelijke ervaring. Een ervaring naar Psalm 22. Maar God zegt ook dan, ook al kun je het niet horen, ook al voel je het niet, met Psalm 23:
Zelfs al ga je door een dal van diepe duisternis,
vrees toch geen kwaad,
want Ik ben bij je.

Maar Hij zei het niet tegen zijn Zoon. Wat Hij altijd blijft zeggen tegen hen die Hij als zijn kinderen heeft aangenomen, zegt Hij niet tegen zijn eniggeboren Zoon, Kind van zijn hart. 'Mijn Zoon, Ik laat je alleen in dit dal van diepe duisternis.' En dat doet zo verschrikkelijk zeer in het hart van Jezus, dat Hij het uitschreeuwt: 'Eli, Eli, lama sabachtani?' Want deze ene keer is het wel waar. Deze ene keer klopt de ervaring van de mens Jezus met de openbaring van God. Hij ís verlaten. Hij ís alleen. Hij ís vervloekt. Dat is de dood. Die drie donkere uren op de heuvel die een diep en duister dal was. Gemeente, opdat wij door God aangenomen en nooit meer door Hem verlaten zouden worden, zo zegt ons Avondmaalsformulier.
Door God aangenomen om nooit meer door Hem verlaten te worden. Gemeente is dat ook úw verlangen op de Goede Vrijdag! En niet alleen op Goede Vrijdag maar is dat altijd uw verlangen, om zó dicht bij de Heere te leven?
Er is een dag geweest, in het begin van Gods geschiedenis met de mensen, er is een dag geweest waarop ook die waarom-vraag geklonken heeft. Uit Góds mond. Het was in het paradijs, dat hemelse paradijs, die berg vol licht, dat God moest zeggen, tegen de eerste Adam: 'Mijn kind, Mijn kind, waarom heb je Mij verlaten?' Dat was de zonde: God verlaten om een eigen koninkrijk te bouwen. En toch bleef de zon schijnen. Want de dag der dagen kwam, in het midden van Gods geschiedenis met de mensen. En het was op Golgotha, dat dal vol duisternis, dat de tweede Adam het uitschreeuwde tot zijn Vader: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?'
Moet je horen,' roepen ze, 'Hij roept Elia.' Wat is dat erg! 'Eli Eli lama sabachtani', de woorden leveren materiaal voor een woordspelletje, een spottend spel met woorden die komen uit een verscheurd hart. 'Eli', had Hij gezegd. 'Mijn God.' En iedereen had het begrepen. Het was Aramees, en echt, die omstanders daar onder het kruis, ze kenden Aramees. Ze wisten precies wat dat betekende. De voorgangers van het volk al helemaal. Die wisten bovendien dat het woorden van David waren, woorden uit Psalm 22 vers 2', schoot hun onwillekeurig door het hoofd. Maar ze walsen er over heen. De duisternis heeft hun niets gedaan, de helse smart is onopgemerkt aan hen voorbijgegaan. Ze spelen een woordspel. Om opnieuw te spotten met de Zoon van God, de Koning der Joden, de Redder van de mensen. Een paar uur geleden hadden ze gezegd: 'Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden.' En ze gaan verder waar ze gebleven waren. De soldaat die medelijden heeft met Jezus en Hem wat wijn te drinken geeft, even een beetje verfrissing, die soldaat wordt tot de orde geroepen. 'Stil, stop daar mee. Zichzelf kan Hij niet redden, maar wie weet komt Elia Hem nu redden!'
'Stil, laat ons zien of Elia Hem komt redden.' En ze lachen. Opnieuw. Ze lachen, bij het kruis van Christus. Ze lachen om hun spottende spel, ze lachen oog in oog met de hel. En ze verwerpen lachend hun heil en hun leven. 'Duizendmaal nee', zeggen ze daar onder het kruis. 'Duizendmaal nee.'
We wenden onze hoofden van hen af, van die omstanders daar beneden rond het kruis, om opnieuw naar boven te kijken met in onze hart de woorden 'Duizendmaal dank. Mijn Verlósser hangt aan 't kruis en Hij hangt er mijnentwegen, mij ten zegen.'
Het is volbracht! 'Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.' Dat roept Hij met luide stem. Na drie uren duisternis, na drie uren dood in de hel, sterft op aarde de eerstgeborene van de Vader. Betaald voor mijn zonden! Hij onschuldig, ik schuldig. Het is volbracht. En het is feest in de hemel.
Door zijn striemen is ons genezing geworden. Door Zijn middelaarswerk is er tussen de Vader en ons de mogelijkheid om tot onze bestemming te komen. 'Mijn kind, mijn kind, waarom heb je Mij verlaten?' Die vraag uit het paradijs, die vraag stelt God ons weer opnieuw. Jezus heeft de angel er uit weggenomen. Hij stierf onze dood. Hij droeg de verlatenheid die wij niet hadden kunnen dragen.
Gemeente, is de Heere u al te sterk geworden? Bent u al knielend bij het kruis terecht gekomen?
Of denkt u het zelf nog te kunnen redden? Gemeente stop ermee, en geef u gewonnen en belijdt en bid:

Van al de last dier plagen,
met Goddelijk geduld,
o Heer’, door U gedragen,
heb ik, heb ik de schuld!
Och, zie hoe ’k voor uw ogen
hier als een zondaar sta,
en schenk vol mededogen
m’ een blik van uw gena!

Gemeente dat is nodig, onze zonden belijden. Zo kan Hij ons bevrijden. Zo alleen. Aan de voet van het kruis. Met lege handen en het oog omhoog, en het hart naar Boven!
Met het gebed in ons hart: Hij deed dat voor mijn zonden, volledige betaling van mijn schuld, om voor een terugweg te openen naar De Vader. Wat uit mijzelf nooit meer kon, deed Hij in Zijn ondoorgrondelijke Vaderliefde óók voor mij.

Duizend, duizend maal o Heer’
Zij U daarvoor dank en eer!

J.G. Wullschleger