Kerkgeschiedenis

Een van de pijlers voor het Christelijke geloof is haar geschiedenis. De geschiedenis kan mede een houvast zijn om een deze geseculariseerde maatschappij vast te houden aan de Bijbel. Mijn bronnen zijn werken van Flavius Josephus, Wikipedia en werken van Johan Vreugdenhill, onder meer schrijver van de serie: Kerkgeschiedenis, verteld aan jong en oud.

1. De apostolische tijd

Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen. Mattheus 28:19. Dat was het bevel dat Jezus gaf aan zijn discipelen. Zij moesten dus het evangelie niet alleen verkondigen aan de Joden, maar ook aan de heidenen.

Petrus is begonnen op de Pinksterdag, met zijn toespraak tot de verzamelde mensen. De prediking ging voort. In Jeruzalem hoorde iedereen over de dingen die waren gebeurd. Dit was echter zo tegen de zin van de Joodse leiders, dat die begonnen met het vervolgen van de discipelen en met de vervolging van de christenen in Jeruzalem en daarbuiten.

Eén van die vervolgers, weten wij, was Saulus. Saulus was een strijder tegen de christenen. Omdat hij dat deed in opdracht van de Joodse kerkelijke leiders (het Sanhedrin), dacht hij, dat hij met die vervolging daadwerkelijk de Heere diende. Jezus heeft hem echter, op weg naar Damascus, zelf geroepen om te dienen in Zijn Koninkrijk. Saulus werd Paulus. Paulus was het vervolgens, die met zijn zendingsreizen, zeer veel heidenen er toe heeft gebracht, zich te bekeren. Zo werden overval in de wereld rondom de Middellandse Zee christelijke gemeenten gesticht.

Ook omdat de christenen Jeruzalem uit vluchtten wegens de vervolgingen, verspreidde het christelijke geloof zich binnen Israël. En die vervolging was zwaar. Behalve Johannes zijn alle andere discipelen gestorven wegens de vervolging. Sommige discipelen en andere apostelen zijn gestenigd, zoals Stefanus en Matthias. Anderen werden gekruisigd (Petrus en Andreas), stierven een marteldood of werden gebonden aan een zuil om daardoor een hongerdood te sterven (Filippus). Ook Paulus is gestorven. Hij is op last van Keizer Nero onthoofd. Keizer Nero had de stad Rome in brand gestoken. Hij vond het zo mooi om vanaf het dak van zijn paleis, de branden te bekijken. Omdat hij echter bang was dat de mensen in Rome boos op hem zouden zijn, beschuldigde hij de christenen van die brandstichting. In Rome werden daarna de christenen extra vervolgd. En dat was eerst nauwelijks of niet het geval. Het waren juist de christenen die door de andere Romeinse inwoners werden geliefd. De christenen waren altijd hulpvaardig. Ze veroordeelden nooit. Ze deelden met andere mensen die armer waren dan zij. Ze hielpen gewonden en bezochten de gevangenen. Maar op last van de keizer stierven zij een marteldood, werden verbrand of kwamen in de arena terecht, waar zij werden gedood door Romeinse soldaten (gladiatoren) of door leeuwen en andere wilde dieren.

Dertien jaren nadat Nero keizer was, werd Domitianus keizer over het Romeinse rijk. Na Nero kwamen namelijk eerst drie keizers vlak na elkaar, in één jaar tijd. En dat gebeurde terwijl eigenlijk Vespasianus gekozen was tot keizer. Maar Vespasianus was in Israël aan het vechten. Vervolgens werd na één jaar Vespasianus, die teruggereisd was uit Israël, de echte keizer en daarna zijn zoon Titus. Na Titus werd Domitianus keizer over het Romeinse rijk.

Johannes werd door keizer Domitianus verbannen naar Patmos. Johannes was toen de leider over alle gemeenten in Efeze en omgeving. Daar op Patmos heeft hij de Openbaring van Jezus Christus geschreven. Vervolgens is hij, na de dood van Domitianus, weer teruggekeerd naar Efeze. Daar in Efeze en op vele andere plaatsen, heeft hij de christelijke kerk bijgestaan en onderwezen. Ook heeft hij de zeven gemeenten bezocht, die hij in het boek Openbaring heeft aangeschreven. Hij is op zeer hoge ouderdom gestorven.

Na de dood van Johannes was de apostolische periode voorbij. Alle mensen die de Here Jezus Christus persoonlijk hadden gekend, waren gestorven. Na deze Apostolische tijd is er geen boek meer aan de Bijbel toegevoegd. Er zijn na deze tijd wel nog vele boeken geschreven, maar tot de Bijbel behoren die boeken niet.

2. De Joodse opstand

De Joden geloofden niet dat Jezus Christus de beloofde Messias was. Zij keken en kijken tot op de huidige dag, nog uit naar de komst van de Verlosser. In die tijd dachten zij aan een verlosser die hen zou verlossen uit de macht van de Romeinen. Die verlosser moest de oude glorietijd van David weer herstellen. Zolang die verlosser niet kwam, groeide hun verlangen naar die verlosser en groeide ook hun haat tegen de Romeinen. Dat zij de Verlosser zelf aan het kruishout hadden genageld, erkenden zij niet. Dat het zelfs al in de eerste boeken van de Bijbel al voorspeld was, lazen ze niet. De Joden waren in die tijd niet arm en zij baadden zich in de welvaart en rijkdom. Alleen het Romeinse juk drukte op hun schouders.

In die tijd kwamen ook geruchten dat de Messias zou verschenen zijn. Er kwamen dwaalleraars, maar telkens werd hun verwachting wreed teleurgesteld. Dat Jezus het zelf al had gezegd, dat dit zou gebeuren, dat wilden zij niet weten. Het geduld van het Joodse volk raakte meer en meer op.

Totdat er een er een stadhouder kwam die meer nodig had dan hij kon verdienen uit belastingen. Deze Romeinse stadhouder heette Gessius Florus. Die had na een paar jaren de plaats ingenomen van Pontius Pilatus. Die kon natuurlijk niet altijd stadhouder blijven, want die werd ook al oud. Deze Gessius Florus had voor zichzelf zoveel geld nodig, dat hij de schatkist uit de tempel heeft weggenomen. Dat was diefstal. Dat was roof. En dat maakte de Joden woedend. Zij konden niet in opstand komen en daarom begonnen zij de spot te drijven met deze Gessius Florus. Ze vernederden hem door hem na te spelen als bedelaar die om een aalmoes kwam smeken. Heb meelij, heb meelij, met een arme stadhouder als ik, riepen ze. Een aalmoes alstublieft, want ik kan geen feestjes meer geven, heb meelij.

Gessius Florus wordt daardoor nog bozer dan de Joden waren. Hij laat de Romeinse soldaten komen die een grote slachting beginnen onder de Joden in Jeruzalem. Koning Agrippa, die door de Romeinse keizer als koning voor heel Israël is aangewezen, vreesde, dat de Joden in het hele land nu in opstand zouden komen. Hij stuurt zijn zuster Bernice naar Gessius Florus en vraagt om vergiffenis te schenken aan de Joden. Dat lukt, maar als de Joden vergiffenis smeken, dan gedragen Gessius Florus en de andere Romeinen zich zo trots, dat de Joden alweer boos worden. Dan komt de tweede slachting. De Romeinen slaan er weer op los en zo komt het Joodse volk toch in opstand tegen de Romeinen. En ze lijken te winnen ook. De Joden weten grote delen van Israël te bevrijden. De Christenen vechten niet mee. Zij vluchten uit de strijd naar Pella, een stadje ver weg in Israël, waar niet gevochten werd.

Omdat de Joden in Israël aan het winnen waren, werd Keizer Nero in Rome heel boos op de Joden. Hij was al boos op de Christenen, maar nu ook op de Joden. Hij stuurde generaal Vespasianus naar Israël. Die moest het Joodse Volk verslaan, want anders zou de macht van de Romeinen in dat gebied verbroken zijn. De Joden zetten hun beste generaal Josephus tegenover het leger van de Romeinen. Vespasianus richtte een bloedbad aan. In een korte tijd werd het leger van de Joden verslagen en Galilea was weer in Romeinse handen. Nu lag de weg naar Jeruzalem open. Jeruzalem kon belegerd worden. Josephus mocht blijven leven, maar voortaan probeerde die het Joodse volk om te praten, om niet meer tegen de Romeinen te vechten.

Voordat Jeruzalem belegerd kon worden werd Vespasianus echter gekozen tot keizer van Rome. Nero was vermoord. Omdat er in Rome ook een andere keizer was benoemd, (en toen nog één, en daarna nog één) moest Vespasianus wel naar Rome toegaan. Zijn zoon Titus moest de Joden gaan verslaan. Door deze gebeurtenissen duurde het nog anderhalf jaar voordat het Romeinse leger Jeruzalem zou aanvallen. Het Joodse volk had dus alle tijd om de stad sterk te maken en om zich te bekeren. Echter wat er gebeurde was, dat er zich in Jeruzalem een grote burgeroorlog ontwikkelde, waarbij de Joden elkaar te lijf gingen.



3. De verwoesting van Jeruzalem

Jeruzalem was een zeer sterke stad. Zij was op rotsen gebouwd. Om de stad heen lag een sterke muur met versterkte torens. In de stad waren ook nog muren, waardoor Jeruzalem in delen was verdeeld. De voorstad in het noorden heette Bezetha. Onder Bezetha was een tweede stadsmuur. Aan die tweede stadsmuur lag de burcht Antonia. Oostelijk in de stad, direct onder de binnenmuur en direct tegen de burcht Antonia aan, was de tempelberg met de prachtige tempel. Onder Bezetha was de bovenstad en daarnaast en onder, was de benedenstad. Het was in die tijd bijna onmogelijk om de stad in te nemen. Maar dan moesten de joden wel eensgezind zijn. Maar in plaats daarvan verwoestten zij elkaar door moordende gevechten. De aanzienlijkste joden wilden vrede sluiten met de Romeinen. Dat was de vredespartij. De Zeloten wilden de strijd aangaan tegen de Romeinen. Dat was de oorlogspartij. De mensen van de vredespartij waren bang voor de woeste Zeloten, maar na een plan van Ananus, hebben zij geprobeerd om in Jeruzalem die Zeloten te verslaan. De Zeloten wonnen echter en er werden twaalfduizend mensen van de vredespartij gedood, waaronder Ananus. Dan wordt Simon, een vrijbuiter van buiten de stad, door de vredespartij in de stad gelaten. Zij hopen dat Simon de Zeloten wil aanvallen. Dat gebeurt niet, waardoor er nu drie kampen in Jeruzalem zijn. Dan krijgen de Zeloten onderling ruzie en dan zijn er ineens vier kampen binnen Jeruzalem. De Zeloot Eleazar verschanst zich in de tempel. De Zeloot Johannes van Giskala gaat met zijn strijders in de burcht Antonia. De vredespartij, die nu nog een stuk kleiner is, gaat in hun eigen huizen zitten. Simon heerst met zijn vrijbuiters over de rest van de stad. Omdat er binnenkort Pascha zou zijn, waren er meer dan twee miljoen joden in de stad. Maar eten was er ruim voldoende. Totdat de ruziënde joden elkaars voorraden tarwe in brand begonnen te steken.

Terwijl binnen Jeruzalem de joden met elkaar ruzie aan het maken waren, naderde van buiten de stad Titus met zijn enorme Romeinse leger.

Ondanks dat de Zeloten en dat Simon met zijn vrijbuiters de stad verdedigen, komen de Romeinse soldaten al gauw in Bezetha binnen. Dan komen ze bij de tweede muur en bij de burcht Antonia. Ook het tempelplein is al dichtbij. Maar de joden denken dan nog steeds dat binnenkort de Messias zal komen om hen van die Romeinen te bevrijden. Zij geloven nog steeds niet dat de Messias al gekomen is. Omdat het Pascha is, laat Eleazar de tempel openen. En dan komen de soldaten van Johannes van Giskala uit de burcht Antonia om ook naar de tempel te gaan.

Zij hebben echter stiekem zwaarden bij zich en als zij in de tempel zijn, dan slaan zij er op los. De soldaten van Eleazar en Eleazar zelf worden gedood. Nu zijn er nog minder Joden om tegen de Romeinen te vechten. Uiteindelijk sluiten Johannes van Giskala en Simon de vrijbuiter vrede met elkaar.

Titus, de Romeinse generaal, stuurt Josephus naar de Joden om met hen te praten. Dat helpt helemaal niet. De joden lachen hem uit en willen zich niet aan de Romeinen overgeven. Omdat ze ook met stenen naar Josephus gooien, wordt Titus heel boos. Hij laat alle joden die hij gevangen heeft genomen, naar de stadsmuur komen. Hij behandelde die joodse krijgsgevangenen eigenlijk heel goed. Ze hadden een plaats om te slapen en kregen eten. Maar nu was Titus zo boos, dat hij alle gevangengenomen joden liet kruisigen. Duizenden joden worden in het zicht van de stad gekruisigd.

Dan laat Titus de stad hermetisch afsluiten. Daardoor komt er hongersnood in de stad. Ze hadden immers hun eigen korenvoorraden in brand gestoken. De Zeloten in de stad gaan nu aan het plunderen. Alles wat ze kunnen vinden wordt geroofd om maar te kunnen eten. Ondertussen proberen de Romeinen vanuit Bezetha naar de bovenstad en naar het tempelplein te komen. Ze steken gebouwen in brand en de strijd gaat voort. De strijd gaat om de muur, die staat tussen Bezetha en de bovenstad. En om de burcht Antonia, die er voor zorgt dat de Romeinen niet naar de tempelberg kunnen. Iedere dag branden er meer gebouwen af.

Zo nadert de tiende augustus van het jaar 70. Dan, op die tiende augustus van het jaar 70, komt er een brandende fakkel bij de tempel naar binnen. Binnen de kortste keren staat de tempel in lichterlaaie. Titus wilde dat helemaal niet. De tempel mag niet kapot. Maar het is te laat. De tempel brandt helemaal af. De Romeinen proberen nog zo veel als mogelijk kostbaarheden uit de tempel te halen. Om de 6000 vrouwen en kinderen, die in de tempel waren gevlucht, kijken ze niet om. Die komen allemaal om.

Daarna moesten de Romeinen de burcht nog innemen, maar die was ook al voor het grootste deel verwoest. In de stad zelf probeerde Simon nog door te vechten, maar toen de tempel er niet meer was, vochten zij niet meer zo hard. Er zijn in Jeruzalem meet dan één miljoen joden omgekomen. De overgebleven joden werden naar Egypte gebracht, daar waar God te ooit uit de slavernij had bevrijd, moesten ze nu weer naar toe terug om weer slaaf te zijn. De joden boden zichzelf te koop aan, want ze hadden niks te eten. Josephus schrijft in zijn boek dat een jood niet meer kostte dan een paar pantoffels. 3000 joden zijn nog een hongerdood gestorven omdat niemand ze wilde hebben. In Deuteronomium 28:68 staat het al geschreven. Daar zegt God al dat dit ooit zou gaan gebeuren. En de Romeinen verwoestten heel Jeruzalem. Geen steen blijft op de andere. Jeruzalem wordt helemaal platgelegd. Nog drie jaar later zijn in Masada de laatste joden verslagen. Uiteindelijk zijn in Israël de Arabieren komen wonen en toen heette Israël voortaan Palestina.

4. De vervolgde christenen

Ik heb in een eerder hoofdstuk al geschreven dat Nero zo’n vervolger was van de christenen. Toen die was vermoord, werd Vespasianus keizer van het Romeinse rijk. Onder Vespasianus hadden de christenen het goed. Zijn zoon Titus vocht in Jeruzalem en uiteindelijk werd die stad geheel verwoest. Na de dood van Vespasianus, werd Titus keizer. Onder Titus hadden de christenen het ook goed. Zij leefden in vrede en kwamen in aanzien bij de keizer. Zij werkten onder meer aan het keizerlijk hof. Ook werden veel Romeinse soldaten christen. Als zij dan vochten aan de randen van het keizerrijk, dan verspreiden ook zij daar het Christendom. Een andere manier waardoor het Christendom werd verspreid was de handel binnen het Romeinse rijk, maar ook met buurlanden of landen verder weg, zoals in Afrika en Azië.

Toen overleed ook Titus en werd zijn broer Domitianus keizer over Rome. Domitianus verbande Johannes naar Patmos. Hij was een christenvervolger. Domitianus was een keizer die voortdurend bang was. Hij was bang dat hij vermoord zou worden. Hij was bang dat anderen zich boven hem zouden stellen. Hij was bang dat zijn leger zich tegen hem zou keren. Hij liet zich, zoals zijn voorgangers, als god vereren. En dat deden de christenen niet. De christenen bogen hun knieën alleen voor die ene God. De ware God, de Schepper van de hemel en van de aarde. Daarom vervolgde Domitianus de christenen. Ze werden vermoord, ze werden verbannen, hun goederen werden afgepakt.

christenen stierven in de arena, stierven door onthoofding, op de brandstapel, aan het kruis, werden gevierendeeld of gemarteld. En dat ging zo door, totdat Domitianus zelf werd vermoord. Op last van zijn eigen vrouw notabene.

En toen kwam er een keizer (ik behandel niet alle keizers) en die heette Trajanus. Die vervolgde niet de christenen, maar was er ook niet vóór. Plaatselijk ging de vervolging nog steeds voort. De christenen werden niet opgespoord, maar als er christenen werden aangebracht, dan werden die wel veroordeeld.

In de stad Antiochië kwam in die tijd een grote aardbeving. De bewoners van die stad gaven de christenen daarvan de schuld. Die heidenen daar dachten dat die aardbeving kwam doordat die Christenen hun Romeinse goden niet meer aanbaden. Die waren daardoor boos geworden. Keizer Trajanus gaat zelf naar Antiochië om te kijken en komt daar ook bij Ignatius. Dat was een christelijk geestelijk leider (zeg maar: bisschop) in Antiochië. Ignatius doet een belijdenis aan de keizer dat hij christen is. Daarom moet Ignatius sterven in de arena in Rome. In die tijd heeft ook nog vele brieven geschreven ter bemoediging voor vele christenen in die tijd. Zo waren er ook andere christenen die in de geschiedenis bij name worden genoemd en die om Jezus Naam zijn gestorven. De vervolgingen waren echt verschrikkelijk. Maar het Christendom werd verder en verder verspreid in Azië, Europa en Afrika. Hoe erg de vervolgingen ook waren, het Christendom groeide. Zo gingen de vervolgingen voort. Jaar, na jaar, na jaar.

In die tijd kwamen er ook dwalingen de kerk binnen. Mensen die vonden dat de Christelijke tempels ook net zo mooi moesten worden als de tempels van andere goden. Pracht en praal kwamen de kerk binnen. Er waren mensen die zeiden dat ze de teruggekomen Messias waren. Er kwamen mensen die andere christenen op een dwaalspoor brachten. Maar ook die dwaalleraars werden vervolgd. Zo heeft de Heere zijn kerk bewaard.

Aan de grenzen van het Romeinse rijk werden steeds vaker invallen gedaan door buitenlandse legers. Binnen het Romeinse rijk kwamen steeds vaker opstanden voor bij de plaatselijke bewoners. En om dat allemaal het hoofd te kunnen bieden werd het Romeinse rijk gedeeld. Eerst in vieren en later bleven er daar nog twee van over. Het Oost-Romeinse rijk en het West-Romeinse rijk. In het Oost- Romeinse rijk was Galerius de keizer en die vervolgde de christenen. In het West-Romeinse rijk was Constantius de keizer. Constantius vervolgde de christenen niet. Na verloop van jaren aan christenvervolgingen werd Galerius ernstig ziek. Hij was zo bang om te sterven dat hij aan de christenen heeft gevraagd om voor hem te bidden. Ondanks dat, is hij gestorven en met zijn dood kwam er op dat moment een einde aan de christenvervolging in het Oost-Romeinse rijk. In het West-Romeinse rijk kwam er een einde aan keizer Constantius en toen werd zijn zoon Constantijn keizer. Echter hij moest proberen om Rome te veroveren, want in Rome hadden ze een andere keizer gekozen. Dat was al eens eerder gebeurd, bij andere keizers Ik heb immers al eerder verteld dat dit ook al was gebeurd bij Vespasianus. Constantijn de Grote (want zo werd hij genoemd) is de strijd aan gegaan en heeft in het jaar 312 de overwinning behaald. Constantijn de Grote is nu keizer van het West-Romeinse rijk. Zijn zwager Licinius wordt na Galerius keizer over het Oost-Romeinse rijk. Echter als Licinius ook de christenen gaat vervolgen trekt Constantijn de Grote op en veroverd ook het Oost-Romeinse rijk. Dan is, in het jaar 313, Constantijn de Grote keizer over het hele Romeinse rijk.

Onder het bewind van deze Constantijn de Grote kwam er eindelijk rust.

Constantijn voerde de vrijheid van godsdienst in, binnen zijn rijk.

5. De christenen in de 4e eeuw

Onder Constantijn de Grote kwam het Christelijk geloof tot bloei. Overal verschenen kerken. De wetten van het Romeinse rijk werden christelijke wetten. De regering werd een christelijke regering. Hij noemde het christelijke geloof het volksgeloof. Iedereen moest christen worden. Hij liet in het huidige Turkije een nieuwe stad bouwen (Constantinopel) en ging vanuit die stad regeren.

Er was echter ook strijd binnen het christelijke geloof. Er waren verschillende dwaalleraars en die verspreiden het christelijke geloof op een verkeerde manier. Zij zeiden bijvoorbeeld dat Jezus Christus geen God was, maar een Schepsel van God. En zo kwamen er meer dwalingen, onder meer in Egypte, namelijk in de stad Alexandrië. Daar kwam er strijd binnen de christelijke kerk, tussen Arius en Alexander. Alexander was de bisschop (predikant) en Arius eerst diaken en later ouderling bij Alexander. Arius zei onder meer dat Jezus een schepsel was van God (dat is waar), maar ook dat Jezus daardoor geen God kon zijn. Hij zei daarbij dat Jezus er nog niet was ten tijde van de schepping van de hemel en van de aarde. Alexander vocht dat aan en vond dat Arius geen gelijk had en daarom die leer niet mocht verkondigen.

Deze strijd was niet goed in de ogen van Constantijn de Grote. Hij liet een concilie bij elkaar komen (een soort vergadering die wij tegenwoordig synode zouden noemen). Dat was de concilie van Nicea in het jaar 325. Nicea is een plaatsje vlak bij Constantinopel. Alexander komt daar ook en Alexander heeft een nieuwe diaken bij zich, Athanasius. Athanasius gaat fel tekeer tegen de dwaling. Hij bewijst keer op keer uit het Woord, dat Jezus van eeuwigheid is en dat Jezus God is. En in dat concilie behaalde Athanasius de overwinning. Alle bisschoppen luisteren goed naar hem en uiteindelijk wordt daar de geloofsbelijdenis van Nicea uitgeschreven. Alleen Arius wil niet ondertekenen, maar het is keizer Constantijn die Arius als ouderling uit zijn ambt ontslaat. Niemand mag meer naar Arius luisteren.

In 337 mocht Constantijn de Grote zich laten dopen, vlak voordat hij stierf. Na zijn dood kwam er niet weer zo’n christenvervolging, maar door zijn opvolgers werden de christenen wel gepest en geplaagd. Zelfs heeft een Romeinse keizer Julianus geprobeerd om de Joden er toe te zetten om de tempel te herbouwen. Dat is echter nooit gelukt. Julianus had het ook erg te stellen met de Perzen in het Oosten. Hij heeft veel oorlog tegen die Perzen moeten voeren en in die strijd is hij uiteindelijk dodelijk gewond geraakt. Daarmee kwam er geen einde aan de pesterijen, want daar hadden de heidenen helemaal geen keizer voor nodig.

Na Alexander werd Athanasius bisschop in Alexandrië. Hij is vandaar uit ook een aantal keren verbannen omdat de zuster van Constantijn de keizer opstookte. Die zuster was een aanhanger van Arius en op een moment heeft Constantijn Athanasius verbannen naar Trier. Arius zou weer terug mogen komen, maar die is gestorven voordat het zover was. Na de dood van Constantijn is Athanasius wederom bisschop geworden en is zodoende zesenveertig jaren werkzaam geweest voor de christelijke kerk, waarvan twintig jaren in ballingschap. In het jaar 381 is, acht jaren na zijn dood, de geloofsbelijdenis van Athanasius op papier gezet. Het westelijk deel van het Romeinse rijk (geleid vanuit Rome) heeft de geloofsbelijdenis van Nicea en van Athanasius gevolgd, terwijl het oostelijk deel en delen van Afrika en klein-Azië (geleid vanuit Constantinopel) toch vaker de zijde van Arius kozen. Dit werd het Arianisme genoemd.

In die tijd was Ambrosius bisschop in Milaan. In die tijd kwam ook een zekere Augustinus in Milaan om naar Ambrosius te luisteren. De woorden in de prediking wilden echter niet landen, totdat de woorden van Paulus in het hart van Augustinus landden. De woorden van Romeinen 13: 13 en 14. Laten wij, als op klaarlichte dag, op een gepaste wijze wandelen, niet in zwelgpartijen en dronkenschappen, niet in slaapkamers en losbandigheden, niet in ruzie en afgunst. Maar bekleed u met de Heere Jezus Christus, en verzorg het vlees niet om begeerten op te wekken. Een jaar later wordt Augustinus door Ambrosius gedoopt in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Augustinus is bisschop van Hippo (dat ligt in Afrika langs de Middelandse zee) geworden. Daar heeft hij de strijd moeten voeren tegen dwalingen. De Donatisten vonden dat zij de enige ware leer verkondigden en dat alle mensen die tot het christelijke kerk behoorden absoluut heilig moesten zijn. Alle mensen die in hun ogen verkeerd deden en niet heilig genoeg waren, moesten opnieuw worden gedoopt. Augustinus heeft uitgelegd dat er wellicht schuldbelijdenis gedaan moest worden, maar opnieuw dopen, dat was niet waar. Daarnaast vonden de Donatisten dat zij alleen maar goed hoefden te zijn voor hun eigen slag volk, niet voor afvalligen en heidenen. Augustinus heeft dat altijd bestreden. Uiteindelijk is het donatisme geheel verdwenen.

Een andere strijd die Augustinus heeft moeten strijden was de strijd tegen de Pelagianen. Pelagius was een man die de bevolking wijs maakte, dat de erfzonde niet bestaat. Iedereen werd zonder zonde geboren, zo oreerde deze man. Augustinus heeft ook dat fel bestreden en heeft uiteindelijk de overwinning behaald tegen deze dwalingen.

In die tijd hebben de Vandalen (een strijdbaar woest volk) delen van Europa en delen van Afrika veroverd op de Romeinen. Tijdens de belegering van Hippo door die Vandalen, is Augustinus gestorven, niet in de oorlog, maar vredig in zijn eigen bed.

6. Dwalingen in de christelijke kerk I

Eind vierde eeuw en verder in de tijd komt er relatieve rust binnen de christelijke kerk. Maar die relatieve rust is verraderlijk. Als de boze niet door strijd probeert om het christelijke geloof aan te vallen, dan wel door interne dwalingen. Er was nog geen verdeeldheid in Rooms Katholiek en Protestant. Maar om het verhaal naar de huidige tweedeling te verplaatsen, is het makkelijker om in het vervolg al te spreken van Rooms Katholieke kerk.

Daar waar overledenen met respect werden behandeld en begraven, kwamen er mensen die er een soort van onsterfelijkheid aan gingen geven. Omstreeks het jaar 400 begonnen de eerste geluiden te komen, dat overledenen niet echt weg waren, maar een soort van ALOMTEGENWOORDIG geworden waren. Zelf wat later dat ze ALWETEND werden. Tegelijkertijd kwamen de verhalen dat die overledenen een soort van voorspraak werden bij de Heere God. Deze overledenen zouden onze gebeden bij de Heere brengen. Zij begonnen deze overleden mensen daarom ook aan te roepen en te vereren. Deze mensen werden dan heilig verklaard en men bad niet meer tot de Heere, of tot Jezus Christus (onze ware en enige voorspraak) maar tot die heiligen. Men ging bedevaarten en processies houden naar en bij de graven van deze heiligen. Augustinus heeft de kerk hier ernstig tegen gewaarschuwd. Het mocht niet baten. Tot op de dag van vandaag worden heiligen vereerd en zijn er zogenaamde christelijke feestdagen, vernoemd naar een heilige.

De Rooms Katholieken hebben nog een hele belangrijke heilige. Dat is Maria, de moeder van Jezus. Die wordt door de Rooms Katholieke kerk vereerd als God. Er zijn feestdagen naar haar vernoemd. De feestdag Maria-geboorte. De feestdag Maria-boodschap. (dat is de dag dat de aartsengel Gabriël aan haar verscheen). Vervolgens ging men roepen dat Maria zonder zonde geboren was. Dat heeft Maria zelf echter ontkend door in haar lied te zingen over haar Zaligmaker. Iemand zonder zonde heeft die Zaligmaker helemaal niet nodig. Maria zelf weet dus dat ze zondig geboren is. Helaas was en is er tot op de dag van vandaag niets dat de Rooms Katholieke kerk op ander gedachten kan brengen. In 1950, nog maar zo’n zeventig jaar geleden is de laatste leugen over Maria verkondigd. Ze zou, net als de Here Jezus Christus, ook naar de Hemel zijn gevaren. Ieder jaar wordt dat op 15 augustus gevierd en wie dat niet geloofd, kan niet behouden worden.

In die tijd bestond fotografie nog niet. Als men afbeeldingen wilden hebben dan werden die geschilderd of er werd een beeld gemaakt. Dat hield men dan als herinnering. Op zich doen wij dat ook nu nog, maar wij aanbidden die niet en wij knielen daarvoor niet neer. Maar dat ging de Rooms Katholieke kerk dus wel doen. Zij gingen beelden maken en schilderijen van Bijbelse figuren en hingen en zetten hun kerkgebouwen er vol mee. Dat stond zo mooi. Maar ze knielden er ook voor neer. Beelden van Maria en het kindje Jezus. Beelden van Petrus of Paulus of Thomas. Men schilderde hele mooie schilderen van die mensen. En zij knielden voor die beelden en schilderijen neer. En staken kaarsjes aan, men offerde wierook aan zo’n beeld. De mensen die dat deden en nog steeds doen, verootmoedigen zich door te stellen dat ze niet het beeld, maar de persoon aanbidden, die het beeld voorstelt. Maar ook dat mag niet, zo stelt het gebod. De Heidelbergse Catechismus heeft vraag 97 hieraan gewijd. Daarin staat dat je schepselen mag afbeelden, maar dat de Heere verbiedt dat we die beelden maken om hen daardoor te vereren of om God langs die weg te dienen.

Een andere dwaling die in de Rooms Katholieke kerk binnen kwam waren de relikwieën. Men opende graven van in hun ogen belangrijke mensen en gingen de overblijfselen (beenderen) verzamelen. En hun haren en hun tanden etc etc. Vervolgens ging men hun kleding verzamelen. Dan de spullen die ze hadden aangeraakt of gebruikt. Het hout van het kruis waar Jezus aan werd gehangen. Het doodskleed, de spijkers waarmee Jezus aan dat kruishout was genageld. Er ontstond zo een levendige relikwieënhandel. Leugen en bedrog regeerde in die tijd nog meer. Zelfs het hout van de tabernakels die Petrus wilde gaan bouwen, werd verzameld. Die tabernakels zijn nooit gebouwd, dus het hout was nep. Als je alle beentjes van diverse zogenaamde heiligen bij elkaar zou leggen, dan moesten die heiligen wel reuzen zijn geweest, zoveel botten moest zo’n mens dan wel niet gehad hebben. Er bestaan kisten vol beentjes van Petrus. Als je al het verzamelde hout van het kruis bijeen zou vergaren, dan waren we wel tien van te maken. Op die manier vervreemde de Rooms Katholieke kerk zich van het christelijke geloof. Niet Christus stond meer centraal. Centraal stonden de heiligen, de beelden, de afbeeldingen en de relikwieën. En nog meer centraal stond het geld dat daarmee werd verdiend. Schatten op aarde verwijderen echter de gelovige van de schat in de hemel.